Copy
View this email in your browser

de bibliotheek voor verdwenen geluiden

100 interviews


Dit is een serie van 100 interviews met mensen die ik de vraag heb voorgelegd: is er een specifiek geluid dat je voor altijd hebt opgeslagen en dat alleen nog maar in je herinnering is op te roepen - een geluid dat jou meteen verbindt aan een gebeurtenis, een situatie, een wereld die een indruk van belang op je heeft gemaakt. Het geluid is er niet meer, het zal er nooit meer zijn, omdat de omstandigheden waarin het geluid er kon zijn, verdwenen zijn of dermate veranderd, dat het geluid niet langer identiek reproduceerbaar is.

Het houden en vervolgens uitwerken van deze interviews neemt veel tijd in beslag. Ze zullen daarom onregelmatig verschijnen. Heb je zelf een mooi verhaal over een verdwenen geluid, neem dan contact met mij op. Wil je eerdere interviews alsnog ontvangen, laat het me weten.
2. Riet

Mijn vader was bakker.
          Wij hadden een bakkerij aan huis. Dat was in Orthen, het noordelijkste stukje van Den Bosch. Een lintdorp, met allemaal verschillende losstaande huizen, een kerk, een klooster. Oud-Orthen, zo werd het ook wel genoemd.
          Ik heb er als kind in twee huizen gewoond. In het eerste huis ben ik geboren en ik heb daar tot mijn zevende jaar gewoond. Dat is eind jaren ’50. Daar was de bakkerij van mijn vaders vader, mijn opa die ik nooit heb gekend. Die zei: ‘Brood en kleren, dat hebben de mensen altijd nodig.’ Zo kwam het dat van mijn vader en zijn vijf broers er drie bakker en drie kleermaker werden. Een broer was bakker geworden in Vught en mijn vaders andere broer, ome Nol, was ook in Orthen bakker, maar een stuk verderop. Ze hadden allebei hun eigen klantenkring. Het bejaardenhuis verdeelden ze, om de week.
           Mijn vader heeft die bakkerij van mijn opa meer en meer overgenomen. Na de oorlog zijn mijn ouders met elkaar getrouwd. Ze hadden geen woning. Maar omdat mijn vader bij zijn vader kon blijven bakken, ging mijn moeder inwonen bij haar schoonouders.
          Het was een kleine, oude bakkerij. Het huis zelf was heel groot en had een enorme tuin. Er was een lange gang en een van de deuren aan die gang ging naar de bakkerij. Behalve de bakkerij was er ook een winkel, maar dat stelde niet zo veel voor, want bijna alle klanten kregen hun brood thuis bezorgd. Mijn vader deed dat met een bakfiets.
          Ik weet niet hoeveel klanten hij had. Ik herinner me wel dat hij maar zes baaltjes meel in de week gebruikte. Het was een eenvoudige bakkerij, het was er ermoei troef.
          Mijn vader werkte alleen, hij had geen hulp. Hij had een wit overhemd aan, de mouwen hoog opgerold. Hij had grote handen, flinke kolenschoppen. Bakkersbroek aan, met zo’n ruitje, en een grote sloof, een schort voor. Er stond een mengmachine. Rozijnen en krenten stonden in een emmer te wellen voor de krentenmik. Ik herinner me ook appeltjes die boven op de oven te drogen lagen.
          Mijn vader stond met een sigaret in zijn mond te bakken. Gloeiendhete bussen haalde hij dan uit de oven. Soms gleed er wel eens eentje van af. Hij bakte door het jaar heen tarwebrood, licht tarwe was dat, en zogenaamd regeringsbrood, grauwwit brood, wat ze tegenwoordig ook wel gebroken witbrood noemen. En gewoon wit, melkwit, dat ook. In het weekend krentenbrood. En met de kerst natuurlijk stol. Met oudjaar worstebroodjes. En doordeweeks, maar niet elke dag, wat we noemden Frans brood, een brood met een harde korst.
          Voor ons kinderen was dat eerste huis een heerlijk thuis, maar voor mijn ouders vroeg het omdat het zo groot was veel zorg. Toen de slager uit zijn pand wegging, zijn ze daar ingetrokken. De bedoeling was dat mijn vader daar niet weer opnieuw een bakkerij zou beginnen, maar brood ging slijten, zoals dat heette. Hij bakte niet meer aan huis maar ging werken bij bakkerij Van Riel in Den Bosch. Van het brood dat hij daar bakte bediende hij dan zijn eigen klantenkring. Niet meer die zorgen, dat was het idee.
          Maar mijn vader werd er dus doodongelukkig van. Bij die bakker waren er verschillende dingen die hem tegenstonden. Zo stopten ze conserveringsmiddelen in het brood. Daar hield hij helemaal niet van. Zijn klanten begonnen te klagen over dat brood, dat het niet meer was wat het was geweest, en hij vond dat terecht. Hij kon niet langer achter het product, de kwaliteit ervan staan.
          Maar bij de koop van die oude slagerij waren gelukkig ook een paar kleine huisjes inbegrepen. De gemeente was, vanwege plannen voor nieuwbouw, op de grond uit die daarbij hoorde. Mijn ouders hebben toen die huisjes en de grond voor goed geld kunnen verkopen en van dat geld zijn ze de slagerij gaan verbouwen tot een bakkerij. Er kwam ook weer een winkel bij. Zo kregen we dus opnieuw een bakkerij aan huis.
          Mijn vader heeft er niet lang plezier van gehad. Na een paar jaar bleek dat hij longkanker had en hij is gestorven toen ik zestien was.
          Ik heb bijna niks van hem. Ik heb een versje in een poesiealbum, een oude weegschaal uit de winkel, maar ook deze schieter. Het is een van de weinige tastbare herinneringen aan mijn vader.
          Een schieter, kijk, het is een plank aan een steel. Op die plank legde mijn vader de bussen met brood. Bussen zijn broodblikken, het brood noem je busbrood. Je kunt brood ook gewoon op een plaat leggen, dan zakt het meer in de breedte uit. Maar bij busbrood zijn de onderkant en zijkanten ervan glad, omdat ze in dat blik, in die bus gezeten hebben. De bovenkant knipte hij of liet hij rond rijzen.
          De bussen, vier stuks, stonden dwars op de schieter. Met de schieter ‘schoot’ mijn vader de broodbussen die stenen oven in, of hij haalde ze ermee uit. Dat maakte dat geluid. Krrk-krrk-krrk. Bijna als het knarsen van grint. Dat schrapen wanneer die plank met bussen de stenen oven in of uit ging. Dat geluid, ik moest er als eerste aan denken. Het is er niet meer, het hoort bij die oude bakkerij. Een gelukkige tijd.
Copyright © 2015 Nico Huijbregts, All rights reserved.


unsubscribe from this list    update subscription preferences 

Email Marketing Powered by Mailchimp